Wat is de 7%-regel bij aandelen?
Wat is de 7%-regel bij aandelen?
De 7%-regel bij aandelen verwijst naar een eerder voorgesteld fictief rendement van 7,78% voor beleggingen in Box 3, dat specifiek voor het jaar 2026 van toepassing zou zijn geweest. Dit voorstel, gericht op het belasten van vermogen op basis van een verondersteld rendement in plaats van werkelijk behaald rendement, is echter teruggedraaid. Hierdoor is de 7%-regel, in de zin van 7,78% fictief rendement, niet van kracht voor belastingjaar 2026.
De term "7%-regel" bij aandelen heeft betrekking op het belasten van vermogen in Box 3 van de inkomstenbelasting. In Nederland wordt vermogen in Box 3, waaronder aandelen, niet belast op basis van het werkelijk behaalde rendement (zoals koerswinsten of dividenden), maar op basis van een fictief rendement. Dit fictieve rendement is een verondersteld percentage dat de Belastingdienst hanteert om de belastinggrondslag te bepalen. Het idee achter een dergelijke regel is dat de overheid een stabiele en voorspelbare belastinginkomst heeft, onafhankelijk van de volatiliteit van de beurs.
Voor het belastingjaar 2026 was er een plan om het fictieve rendement voor beleggingen te verhogen naar 7,78%. Dit voorstel was onderdeel van bredere discussies over de hervorming van Box 3, waarbij gepoogd werd om de belastingheffing dichter bij het werkelijke rendement te brengen. De 7,78% zou dan het veronderstelde rendement zijn geweest waarover belasting betaald moest worden, ongeacht of een belegger daadwerkelijk dit percentage aan winst had gemaakt met zijn aandelen of andere beleggingen.
Echter, de maatregelen om dit fictieve rendement van 7,78% voor 2026 in te voeren, zijn teruggedraaid. Dit betekent dat de "7%-regel" in de vorm van 7,78% fictief rendement voor beleggingen in Box 3 niet van toepassing is in 2026. Deze terugdraaiing is een belangrijke correctie op een veelvoorkomende misvatting dat dit percentage nog steeds zou gelden. De Belastingdienst hanteert voor Box 3 een systeem waarbij verschillende vermogenscategorieën (zoals banktegoeden, overige bezittingen en schulden) elk een eigen fictief rendement hebben. De percentages voor deze categorieën worden jaarlijks vastgesteld en gepubliceerd door de Belastingdienst.
Om te illustreren hoe een fictief rendement zoals de voorgestelde 7,78% zou werken, nemen we een hypothetisch voorbeeld. Stel dat de 7,78%-regel wel van kracht was geweest voor 2026 en u had een vermogen van €100.000 aan beleggingen in Box 3 (na aftrek van het heffingsvrije vermogen). De berekening zou dan als volgt zijn:
- Fictief rendement: 7,78% van €100.000 = €7.780
- Over dit bedrag (€7.780) zou vervolgens de Box 3-belasting geheven worden, tegen het dan geldende belastingtarief.
Dit toont aan dat de belasting niet direct over de €100.000 vermogen gaat, maar over het veronderstelde rendement daarop. Het werkelijke rendement dat u met uw aandelen behaalt, is voor de berekening van de Box 3-belasting niet relevant, tenzij het systeem in de toekomst fundamenteel wijzigt naar belasting op basis van werkelijk rendement.
De huidige Box 3-systematiek, zoals die voor 2026 geldt na de terugdraaiing van het 7,78%-voorstel, werkt met een mix van fictieve rendementen voor verschillende vermogensgroepen. Bank- en spaartegoeden hebben een relatief laag fictief rendement, terwijl overige bezittingen (waaronder aandelen en andere beleggingen) een hoger fictief rendement kennen. Schulden worden in mindering gebracht op de grondslag, waarbij ook een fictief rendement op schulden wordt toegepast. De precieze percentages voor het huidige jaar worden jaarlijks door de Belastingdienst gepubliceerd en kunnen variëren afhankelijk van de economische omstandigheden.